Over deze website

Natuur- en milieueducatie (NME) in Nederland kent een rijke en diverse geschiedenis. Gedurende de afgelopen eeuw hebben tal van personen, instellingen en overheden bijgedragen aan dit brede werkveld, waarbij de focus verschoven is van pure natuureducatie naar een bredere visie op leren voor duurzaamheid.

Begin van NME: van natuureducatie naar maatschappelijke opgave

De oorsprong van NME ligt in de late 19e eeuw, een tijd waarin natuureducatie langzaam vorm begon te krijgen. In de ‘Historische schets van de ontwikkeling van NME’ beschrijft Gerard Jutten deze ontwikkeling. Wat begon als initiatieven van betrokken natuurbeschermers, groeide uit tot een beweging die de verbinding tussen mens en natuur benadrukte. 

In de jaren zestig van de 20e eeuw werden in verschillende gemeenten schoolbiologen aangesteld. Een schoolbioloog moest iemand zijn met een grote kennis van de (veld-)biologie én van het onderwijs, en die, zo mogelijk in dienst van een overheidsinstantie (gemeente) het biologieonderwijs op de lagere school én de kweekschool (later: Pabo) kon (helpen) verbeteren. De eerste officiële schoolbioloog werd eind jaren vijftig aangesteld in Groningen. Al snel daarna kwamen er ook schoolbiologen in Enschede, Arnhem, Den Haag, Maastricht en in Amsterdam. Het I.V.N. fungeerde vanaf 1967 als contact-centrum voor de schoolbiologen

In het boek "Van schoolbioloog tot duurzame duizendpoot", dat is opgenomen in de kennisbank op deze website, worden verschillende invalshoeken belicht. Hans Nuiver neemt ons mee op een historisch-filosofische reis door de Verlichting, Romantiek en Moderniteit en plaatst NME in deze context in hoofdstuk twee: "Als NME het antwoord is, wat is dan de vraag? NME als maatschappelijke opgave". Zijn visie op het nut en de noodzaak van NME benadrukt de maatschappelijke opgave die deze educatie vormt.

Beleid en ontwikkelingen: van natuur naar milieu

De tweede helft van de twintigste eeuw bracht een verschuiving in focus met zich mee. Door toenemende openluchtrecreatie en een groeiende behoefte aan ruimtelijke ordening werd duidelijk dat wettelijke regels en terreinbeheer niet voldoende waren. Voorlichting en educatie werden essentiële instrumenten.

In de jaren zeventig en tachtig groeide de milieuproblematiek aanzienlijk, waardoor milieueducatie een prominente plaats innam naast natuureducatie. Er ontstond een behoefte aan zowel groene als grijze educatie, waarbij maatschappelijke aspecten naast ecologische onderwerpen werden behandeld. Tweede Kamerleden begonnen zich te roeren, ministeries ontwikkelden beleid en er werden interdepartementale afspraken gemaakt.

Verschillende adviesorganen (o.a. Commissie voor Natuurbeschermingseducatie, Centrale Raad voor de Milieuhygiëne) kwamen gevraagd en ongevraagd met adviezen over het werkterrein van de natuur- en milieueducatie. Onderzoeksinstituten als de Stichting Leerplan Ontwikkeling en de Landbouw Universiteit Wageningen werden ingeschakeld voor onderzoek naar gewenste leerlijnen of naar effectiviteit van educatieve activiteiten.  Landelijke én lokale natuur- en milieu(educatieve) organisaties pasten hun werkwijze aan de veranderende omstandigheden aan. Niet in de laatste plaats omdat subsidiemogelijkheden veranderden.

In hoofdstuk drie van "Van schoolbioloog tot duurzame duizendpoot", "De ontwikkeling van beleid rond natuur- en milieueducatie en Leren voor duurzame ontwikkeling", geven Roel van Raaij en Hans Nuiver inzicht in de historische betekenis van de beleidsontwikkelingen op het vakgebied van NME en Leren voor Duurzame Ontwikkeling van 1970 tot nu.

Meebewegen met onderwijsontwikkelingen

De beleidsontwikkeling in ruim vijftig jaar kent vele interessante aspecten. Denk bijvoorbeeld aan de visie op de plek van NME in het onderwijs, de samenwerking tussen rijk, provincies en gemeenten, en de verschillende rollen van overheid, burger, maatschappelijk middenveld en bedrijfsleven. De samenhang tussen vergroten van betrokkenheid, voorlichting, educatie en participatie is ook van groot belang.

In hoofdstuk vier van "Van schoolbioloog tot duurzame duizendpoot", "Meebewegen met autonome onderwijsontwikkelingen", beschrijft Ellen Leussink de autonome ontwikkelingen in het onderwijs die een heroriëntatie van het NME-werk met zich meebrachten. Ze belicht hoe de onderwijsontwikkelingen in de tijd geplaatst werden en de wijze waarop de NME-sector zich aanpaste aan deze veranderingen.

Van beleid naar brede programmatische aanpak

De transitie van vakgerichte specifieke educatie naar een brede programmatische aanpak is een belangrijk kenmerk van deze ontwikkeling. Welke beleidsafwegingen daarbij een rol speelden, wordt geïllustreerd door de bronnen in de databank Beleid en Advies.

Conclusie

NME heeft zich door de jaren heen ontwikkeld van een niche-activiteit tot een breed geaccepteerd en essentieel onderdeel van het onderwijs en beleid in Nederland. De verschuiving van puur natuureducatie naar een integrale benadering van leren voor duurzaamheid weerspiegelt de veranderende behoeften en uitdagingen van de samenleving. Door de voortdurende evolutie en aanpassing van NME blijven we werken aan een duurzame toekomst.

Bekijk de nieuwe databank hier voor meer informatie over de beleidsontwikkelingen en adviezen die deze veranderingen hebben mogelijk gemaakt.