Artikel uit: Handboek onderwijspraktijk • Afl. 2 (januari 1978)
Het doelstellingsdenken heeft de laatste decennia terrein gewonnen. Onderwijsdoelstellingen worden niet langer gezien als 'dingen' die de leraar moet doen. Het zijn leereffecten die bij de leerling objectief constateerbaar moeten zijn. Althans, dat is de theorie. In de praktijk blijkt die opvatting tot controverses aanleiding te geven. Dit is het 'dekkingsprobleem'. De strijdvraag luidt steeds : 'In hoeverre is het objectief constareerbare eindgedrag van de leerling representatief voor de conceptie waar men van uitging? In hoeverre 'dekken' die twee elkaar? Dit probleem is niet bevredigend op te lossen zolang gedacht wordt in termen van een 'vormingzonder- mering' of een 'meting -zonder-vorming'. Daarom wordt hier opnieuw de vraag aan de orde gesteld, wat voor 'ding ' een onderwijsdoelstelling is. Onderwijs-doelstellingen zijn een stukje geestelijk gedrag. Het is geen gedrag, maar een dispositie tot gedrag. Onderwijsdoelstellingen zijn mentale programma's bestaand uit kennis en vaardigheden die de leerling bewust kan hanteren. Ze kunnen naar gelieven worden in- en uitgeschakeld. Of het nu over kennis gaat, of over attituden, of over motorische vaardigheden, ze zijn alle afvraagbaar en daarom ook constateerbaar. Onderwijsdoelstellingen zijn leereffectzinnen waarin de leerling sprekend wordt ingevoerd met: 'Ik heb geleerd ... ', of: 'Ik ben aan de weet gekomen hoe ... 'Vanuit deze benadering van onderwijsdoelstellingen is het dekkingsprobleem op te lossen.
