Dit onderzoek is erop gericht bij te dragen aan de kennis over factoren die een rol spelen voor de leerkracht om al dan niet actieve lessen ten aanzien van natuuronderwijs te geven. Getracht wordt een duidelijker beeld te krijgen van mogelijke drempels die leerkrachten ervaren bij het "actief worden".
Verondersteld wordt, onder meer door Teleac/NOT, Recreatie Rotterdam en NMC Utrecht, dat groepsleerkrachten nog te weinig actief bezig zijn met natuuronderwijs op de basisschool. Actief natuuronderwijs houdt in dat leerkrachten de kinderen in de gelegenheid stellen om op een ontdekkende en onderzoekende wijze met materialen uit de natuur om te gaan. De Inspectie van Onderwijs vindt ontdekken en onderzoeken één van de voorwaarden van goed natuuronderwijs (1993, p. 3). Dit kunnen leraren bewerkstelligen door met de leerlingen naar buiten te gaan en/of door de natuur de klas in te halen; het gaat om zogenaamde "praktische lessen" in tegenstelling tot theoretische lessen. Maar leraren zouden belemmeringen ervaren ten aanzien van het geven van praktische lessen. Enkele interne rapporten zijn hierover verschenen, maar er is weinig "harde" informatie.
Uit onderzoek in Rotterdam en Den Haag is gebleken, dat 80% van de basisscholen in de betreffende regio kijkt naar programma's van Teleac/NOT die betrekking hebben op natuuronderwijs. Ongeveer 55% van de kijkende scholen bezit de handleiding bij de programma's. Of dit begeleidende materiaal daadwerkelijk gebruikt wordt is onbekend. Ook is onvoldoende bekend hoe natuuronderwijs wordt ingevuld op de basisscholen, waar niet naar schooltelevisie wordt gekeken.
